Survival door de jungle die prachtwijk heet

Betegelde voortuin, plastic tuinstoelen en een derdehands Mercedes voor de deur. ’s Ochtend is het er uitgestorven, ’s middags is het één groot straatfeest. Ik heb het over de buurt waar ik doorheen fiets op weg naar mijn werk. Een prachtwijk heet zoiets tegenwoordig. Er is één huishouden dat het wel heel bont maakt. Buiten de bovengenoemde standaarduitrusting wemelt het er van de troep. De stoep wordt geblokkeerd door een groot opblaaszwembad, in de voortuin staat een zwartgeblakerde barbecue en naast de Mercedes staat een aanhanger volgeladen met niet te definiëren roest, waarschijnlijk met de intentie om naar de oud-ijzerhandel te brengen, ware het niet dat men het te druk heeft met niet-werken.

’s Ochtends heerst er een Boeddhistische stilte. Als ik niet moest opschieten om op tijd op kantoor te zijn, zou ik er mijn yogamatje uitrollen en eens even uitgebreid de zonnegroet gaan brengen. De enige activiteit die ik er ooit op dat tijdstip heb bespeurd was een peuter, enkel gekleed in een luier, die de voordeur uitrende -ontsnapt aan zijn krijsende moeder- om bij de buren door de brievenbus te gaan schreeuwen dat ze GVD de deur open moesten doen.

’s Avonds is het andere koek. De straat is opeens gezellig. Bontgetatoeëerde mensen geven fleur aan de kale tuinstoelen, omgekeerde bierkratjes zijn tot zitmeubel verheven, de barbecue rookt en er schalt Nederlandstalige muziek uit onzichtbare boxen. Bierdrinkend, rechtstreeks uit de fles (waar anders uit?) en lurkend aan een sigaretje dat waarschijnlijk met zo’n prutsmachientje is gemaakt, lallen ze je in onvervalst regionaal dialect tegemoet.

Vandaag was het niet anders. Ik keek zoals altijd geïnteresseerd naar al die uitbundigheid, toen opeens een paar kindsoldaatjes met professionele waterpistolen dwars over straat renden. In een poging ze te ontwijken remde ik flink af, net voor het bewuste huis met de volgeladen aanhanger en het zwembadje. Waarschijnlijk voor het eerst die dag, had iets hun aandacht gewekt: Ik.
‘Hé, lekker wezen werken?’
Ik overwoog even om serieus antwoord te geven. ‘Ja, ging wel, dank u.’ Ware het niet dat de ironie er dusdanig vanaf droop dat een dove schildpad het nog zou herkennen. Mijn Gilles de la Tourette -waarvan ik slechts sporadisch een oprisping beleef- en mijn overlevingsinstinct vochten om voorrang. Ik kreeg de neiging om ze in hun eigen taal een rechtse hoek te geven. ‘Ja, heerlijk. Zou je ook eens moeten proberen’ of: ‘Inderdaad, zodat jullie WW-uitkering weer betaald kan worden van mijn zuurverdiende belastinggeld’. Gelukkig won mijn instinct. Ik glimlachte een keer lief tegen het schorriemorrie dat me inmiddels bedreigde met een enorm waterschiettuig want ik wist: daar win je altijd de zieltjes van hun ouders mee. Ik hield me Oost-Indisch en stapte rustig weer op mijn fietsje. Nog even veilig de hoek om. Ja hoor, alleen een grote natte plek op mijn rug. Ik was er weer goed vanaf gekomen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Anti-spam code * * Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.